6/30/2009

LIES DIERCKX: in de materie, uit de materie





Lies Dierckx
: Onvoltooid worden I en Onvoltooid worden II
acryl en Japans papier op canvas, 90 x 90 cm, 2009


TENTOONSTELLING LIES DIERCKX

lizenzo Langemunt 78 - 9850 Nevele tentoonstelling van 28 VI tot 5 VII 2009


Dames en heren, vrienden, Lies,

Hartelijk welkom op deze tentoonstelling!

Voor velen onder jullie moet ik Lies Dierckx niet meer voorstellen, al ben ik zelf bij het samenstellen van deze inleidende tekst op enkele verrassingen gestuit. Dus toch even situeren.

Lies Dierckx is geboren in 1968. Om de puntjes op de i te zetten niet in Mortsel, waar ze wel opgroeide, maar in Berchem: zoals bekend kiezen ooievaars dikwijls een bepaalde kliniek. 1968, dat is het legendarische jaar van de meirevolutie, van de studenten-revoltes, met de roep om democratisering, het jaar van ‘de verbeelding aan de macht’, een generatie waar zij uiteraard niet toe behoort –zo rekent men dat niet- maar die zeker haar opvoeding beïnvloed heeft. Lies genoot een opleiding grafische vormgeving aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. Eerder volgde zij kunstsecundair aan het RIKSO eveneens te Antwerpen. Op deze tentoonstelling zijn enkele werkjes te zien uit deze vroege periode, en Lies koestert die als relikwieën. De presentaties op de monitors vullen dit aan met glimpen van werk uit haar studietijd. Ik signaleer hier niet alleen trefzekere lavis die zij in de Antwerpse Zoo maakte, en die het vooroordeel moeten wegnemen dat abstracte kunstenaars/kunstenaressen niet zouden kunnen tekenen, maar ook abstracte werkjes ‘op de rand van het niets’, die vandaag verrassend de link leggen met haar meest recente werk.

Beroepshalve werkt Lies Dierckx tot op heden hoofdzakelijk in een functionele context: zij maakt wereldwijd gewaardeerde ontwerpen voor expostanden –dat genre behoort tot de kleinarchitectuur zoals dat heet- en zij maakt allerlei functionele grafische ontwerpen. Grafische vormgeving en vrije kunsten zijn twee onderscheiden disciplines. In filosofische termen zouden we kunnen zeggen dat het ene eerder stoïcijns is, en het andere eerder epicuristisch. Relatieve kenmerken uiteraard. Soms leidt die tegenstelling tot onbegrip en frustratie, maar de grensgebieden tussen beide en de bevruchtende wisselwerking kunnen ook een rijk creatief potentieel vormen. Het was dikwijls een gespreksonderwerp tussen mij en Lies. In de twintigste eeuw waren vele eersterangskunstenaars op beide terreinen actief: Rodchenko, Kurt Schwitters, Sonia Delaunay of onze nationale Magritte in zijn jonge jaren. Wie de DOCUMENTA’s in Kassel bezoekt of het SMAK en het MUHKA weet dat er veel vrije kunst bestaat die qua middelen en uitzicht erg dicht in de buurt van de functionele, of toegepaste kunst komt.

Maar ik wil nu bij onze kunstenares blijven. Er kan aan herinnerd worden dat Lies Dierckx aan de Antwerpse Academie schitterend afstudeerde met een project rond artisanaal papier en papierkunst, waarmee ze zich juist in die randgebieden tussen vrij en ‘toegepast’ begaf. Naast functioneel georiënteerde werken realiseerde zij toen een vorm van papierkunst die verwantschap vertoonde met zero, minimalisme en fundamentele schilderkunst. De zinnelijkheid van de materie en de relatieve onvoorspelbaarheid van het procédé werden gekanaliseerd in zachte geometrische vormen. Haar werken riepen herinnering op aan Josef Albers, Mark Rothko, Jan Schoonhoven, of aan de papierkunst van Ellsworth Kelly of Kenneth Noland. Wij kregen in de loop der jaren nogal wat kunstenaars of galeriehouders over de vloer en de werken van Lies bleven niet onopgemerkt. Ik hoorde het meer dan eens: ‘Très sensible!’

Recente werken van Lies Dierckx getuigen van een nieuw elan en engagement in de richting van de autonome kunst. Vrijheid en spel halen het op noodzakelijkheid en nut. Het aantal werken en de formaten weerspiegelen de vrijheidsdrang en de ernst om ‘gehoord’ te worden. Lies heeft een improviserende, intuïtieve werkwijze. Haar creativiteit valt samen met de activiteit van het schilderen. Lyrisch-abstract van aard getuigen de werken door kleurgebruik en informele modulaties van een landschappelijkheid en een aardgebondenheid. Het spel met de materie, het gemengde gebruik van collage-achtige ingrepen in en versnijdingen en verscheuringen van de complexe, samengestelde drager zijn tekens die dicht bij de liefde voor het medium blijven maar waarvan de existentiële geladenheid niet te ontkennen valt. Het is nooit een gratuit spel. Een strijd tegen vervreemding, het verwerken van trauma's en angsten haalt door die mediumgebonden taal het werk uit de strikt private sfeer en maakt dat het voor zowel een gespecialiseerd publiek als voor elk van ons troost en herkenning biedt.

De meest recente werken worden gekenmerkt door toenemende witheid. Daarmee sluiten zij prachtig aan bij het prille begin, ook al is de context volkomen nieuw. Dat wijst op diepe coherentie en authenticiteit.

Ik heb mij voorgenomen om niet te veel geleerde kunstfilosofen in deze tekst te gooien. Maar ik wil een uitzondering maken voor Wittgenstein. (Dat wit is daarbij maar een toevallige coïncidentie.) Wittgenstein kennen we als de strenge taalfilosoof die uiteindelijk stelde dat we moeten zwijgen over datgene waarover we niet kunnen praten.
Dat werd uiteindelijk een zeer schrale wereld. Maar Wittgenstein hield van kunst die hij met ethiek wou laten samenvallen. Kunst was voor hem de taal van het onzegbare, van de mystiek. Kunst is een taal die niet uitlegt maar die toont. We kunnen en we mogen er wel over praten. We mogen vooroordelen wegnemen, we mogen associaties oproepen, we mogen contexten aangeven. Dat moet best niet in vakjargon. De kunst is zo al moeilijk genoeg. Ik kan bij sommige werken van Lies aan Zen of aan Dao denken, zo’n eenzaam pad in de mist, de weg die uiteindelijk geen weg meer nodig heeft. Of ik kan aan schilderijen van negentiende-eeuwse landschapschilders denken, waar de sneeuw de kleurige herfstbladeren bedekt. Ik kan aan Malevitch denken, die de suprematie van de zuivere objectloze ervaring beoogde, en die in 1917 wit-op-witte schilderijen maakte. Maar geen van deze woorden zal het eigenlijke kunstwerk dat we hier te zien krijgen kunnen vervangen. Naar dat kunstwerk moeten we terugkeren, want daar gaat het om.

Ik wil besluiten met een gedicht van de voor mij erg belangrijke Schotse dichter en intellectuele nomade Kenneth White – alweer dat wit!

WITTE VALLEI

Niet veel te bekijken in deze witte vallei
wat lijnen, heel veel wit
we zijn aan het einde van de wereld, of net waar hij begint
misschien heeft het ijs van het kwartair zich net teruggetrokken
tot nu
geen leven, geen geluid van leven
zelfs geen vogel, zelfs geen haas
niets
dan het huilen van de wind
nochtans beweegt de geest hier met gemak
en gaat verder in de diepte
ademt
en lijn na lijn
tekent zich iets als een heelal
zonder veel te willen benoemen
zonder de geweldige stilte te verbreken
discreet, secreet
zegt iemand
hier ben ik
hier is mijn begin

Kenneth White
(vertaling Dirk Verhaegen)

Dirk Verhaegen
Docent artistieke vakken
Hogeschool Sint-Lukas Brussel


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Blogarchief