GEDICHT VOOR MIJN JAS
1.
Regen, slijk en zout
kropen in mijn jas
de geur van meisjes
de stank van steden
oude jas
vol vertrouwde levenslucht
kom
we gaan weer reizen.
2.
Laat ons weer binnengaan
in 't Pelagiaanse land
het lichaam van onze vroege liefde
blij op de rotsen klimmen
bewegen met de meeuwen
zomaar in extase
't hoofd naar 't Noorden
in het arctisch licht.
3.
En de wind komt ons tegemoet
de koude ochtendwind
een boek in zijn ene hand
een brok kwarts in de andere
een meeuw op zijn schouder
ons groetend als een broer
die terug is uit verre landen
moeilijker gebied
ons groetend in het Gaelic
(de drie zinnen die hij kent)
ons verfrissend
met wat regen
gedistilleerd
bij zijn zus in 't Westen.
4.
Wandelend langs de kust
het verleden in gedachten
altijd anders grijpend
om het beter te vatten
en om door te dringen voorbij de schijn
in de geheime kracht
Pelagiaanse orgie
doorstotend tot het uiterste!
5.
Oud sjamanenvel, luister
nu wij zo verder gaan
dit gedicht is voor jou
ik prik het op je voering
zo dat de één de ander vindt
door alle weer en wind
en reizend met voldoening.
Kenneth White
(Poem to My Coat uit The Bird Path,
vertaling Dirk Verhaegen)
.